Kritè als politiserende muze

Mijn dank wil ik uitspreken voor het mogen schrijven van een kritiek op het prachtige openingsartikel van Harry Kunneman uit In goed gezelschap. Deze dank richt ik vanzelfsprekend aan Harry zelf en ook aan Bart van Rosmalen en Peter Rombouts door mij te prikkelen en een podium hiervoor te geven binnen de Werkplaats Muzisch Onderzoek 20-21 op 22 januari 2021. Ook dank aan de deelnemers die mij het vertrouwen schonken en luisterden naar mijn voordracht van de tekst. Tot slot, dank aan de muzen en aan waar zij in naam van optreden. Zij maken alles wat in de ervaring, het denken, de ruimte en de tijd ver weg lijkt, opeens dichtbij, maar sluiten nooit de deur naar distantie.

 

De muze van de kritiek

Ik vertolk Kritè, de tiende muze, de muze van de kritiek. Mijn attribuut is het mes waarmee ik kan fileren en onderscheiden. Kritè is afgeleid van het werkwoord Oud-Griekse werkwoord krino1 dat oordelen, onderscheiden betekent. Het stamt af van de Indo-Europese stam *krey: 'ontbloten, zeven, raken'. In de Germaanse talen verbasterde deze stam tot hrainiz: 'puur, schoon, onschuldig'. In het Nederlands leeft hrainiz verder als ‘rein’. Ik ben de muze die ontbloot, onderscheidt en verheldert.

Allereerst, mijn negen zusters zijn een gezelschap en trekken gezamenlijk op. Elk met hun eigen metiér en gave tot verfijning. Zij worstelen niet met het centrum van het lied, zij planten het besef ervan in de mens. Zij lijden niet onder gedoe van en tussen mensen. Ze zijn godinnen. Het gat van de wanhoop kan hen niet raken. Ook zijn zij niet overgeleverd aan toeval of rampspoed en glijdt maatschappelijke druk van hen af als boter van een heet mes. Zij blijven onbezoedeld en puur. Geen zoektocht naar het juiste midden of waardenwerk.

Vervolgens, de Griekse mens: wij muzen werden aangeroepen door mensen sterk bewust van hun sterfelijke natuur. Geen wetenschap of techniek die hen behoeden kon voor het volstrekt willekeurige karakter van ziektes of rampen. Men richtte zich op, tegen beter weten in, met het grote risico van de val als gewicht op hun schouders, bijna als Atlas gebukt, maar toch trots en zinderend van levensvuur. En dan die moderne mens… die zo sjokt onder maatschappelijke druk, die mijn muzenzusters smeekt om te mogen aanklooien en aanmodderen. Terwijl deze Grieken met de blik van rampspoed, ‘atas’ heet zij, op hen gericht, vol in het midden van het politieke leven waagden te staan, dáár stelling te nemen. En in die zelfde ‘cirkel’, het gezelschap van politieke vrienden, theateruitvoeringen sponsorden en ondergingen, die politiek geladen waren en omgeven door religieus ceremonieel. Het podium waar de acteurs gingen staan, was de dag tevoren nog waar een rechtzaak zich voltrok of de uitslag van een stemming werd voorgelezen. Dit was geen hoge of moerassige grond, maar heilige grond, waarin de eendracht van filosofie, kunst en politiek volkomen helder was. Puur. Rein. Bevochten door voorouders die soldaat-boeren waren en hun naar aarde stinkende handen lieten rusten op de stenen tribune tijdens de geboorte van nieuwe wetten.2 Een heilige plaats. Met een voorname plek voor gedoe en geklooi van mensen. Vraag maar aan Kreon en Medeia…

Let wel, als je mijn zusters aan boord neemt, dan heb je je te verhouden tot deze cultuur. Dus ik sta niet toe dat je shopt in deze erfenis en enkel de vervoering als een festivalpilletje slikt en daarna weer hevig schrikt van oordelende ogen of natuurlijke willekeur: wel raad weet met de ‘euforia’, maar met de handen in het haar zitten met de ‘aporía’ (wanhoop). Ik accepteer niet dat je deugdethiek terzijde schuift en zelfs Aristoteles’ idee van ‘filia’, vriendschapsliefde, ook maar niet noemt, terwijl je nota bene gezelschapsvorming voorvecht! Ontwortel het waardenwerk nou niet van deze cultuur. Laat mijn zusters niet enkel verschijnen als gangmakers op een saaie receptie. Dat is het oordeel dat ik uitspreek. Neem hen niet alleen aan boord voor hun ‘poièsis’, hun maakkracht, maar doe hen recht als ‘praxis’, hun intrinsieke waarde als deel van een grotere cultuur.

Tot slot, de micro-macht van een professional, door het vermogen tot classificeren, normeren, categoriseren en beoordelen, daar ben ík de muze van. Snap je dat het mij zorgen baart dat jij een onderscheid maakt tussen de ‘persoonlijke achtergrond’ als ethische invloed op de professional enerzijds en ‘de eigen verhouding tot morele en politieke vragen’ van deze professional anderzijds? Dat onderscheid maakten wij niet in de polis. De mens is hier ‘fusei politikon zoion’, van nature een politiek dier.3 En die heeft ‘paideia’, opvoeding, nodig van gezellen. Laat het muzische dan ‘pokon’ zijn voor een plant die groeit.4 Die zich opricht ondanks storm en droogte en zo nu en dan zich laat bijsnoeien door de knetterende stem van de kritiek.

 

---

 

Ook het woord crisis is afgeleid van deze stam: het ‘kritieke’ moment.

Momenteel ben ik zelf dieper aan het graven in de materiële aspecten van de politieke cultuur. Hopelijk vind ik meer inzichten hierin in het boek The Other Greeks: The Family Farm and the Agrarian Roots of Western Civilization van Victor Hanson. Militaire metaforen van bijvoorbeeld de ‘slagorde’ zie je sterk terug in redevoeringen waarin men de kracht van een wet afschildert als ‘geordend’ en ‘in het gelid staand’ in tegenstelling tot de willekeurige onbeteugelde aard (‘fusis’) van de mens. Maar hoe zit dat met andere lijfelijke metaforen zoals bijvoorbeeld handenwerk? Ik vind namelijk dat ik de kritiek van Richard Sennett op Hannah Arendt, zijn kritiek op het meer waarde toekennen aan de ‘hoge grond’, niet mag verliezen door het gebruikelijke narratief van de ‘Atheense Gouden Eeuw’.

φύσει πολιτικν ζον - Aristoteles in zijn Ethica Nicomachaea. 'Politiek' lees je hier als 'behorend tot de polis'. Het lidmaatschap van de polis is een centrale anker voor het ik-besef. De individuele ethiek is een niet alleen een uiting van de collectieve ethiek in de polis, maar een poging om deze te vervolmaken. De polis is het natuurlijke eindpunt ('telos') van de menselijke drijfveren en vermogens. In Sophokles' Antigone lezen we dat de mens 'στυνόμους ργς διδάξατο', 'zichzelf de drift meester heeft gemaakt die orde aan de stad brengt'. ('Orgè': drift; 'didasko': instrueren;  'astu': stad; 'nomos': wet)

De plantmetafoor heb ik van Martha Nussbaum uit haar The Fragility of Goodness.

Reacties