1- het zwarte pad- Melpomene

Is deel van: INTERMEZZO

1-    Het zwarte pad- Melpomene

 

Wat er klinkt: de requiem canticles van Stravinsky.

 

Ik ben gaan lopen. Steeds meer en steeds verder. Lopen om het op te kunnen nemen tegen de terugkerende lock-downs die me telkens weer klemzetten bij het scherm. ’s Ochtends vroeg, tussendoor met belafspraken en vaak ’s avonds nog even. Verslavend is het. Nietzsche liep zo wordt gezegd wel zeven uur op een dag. Dat haal ik bij lange na niet, maar ik denk daar soms wel over na. Over hoe gedachten zich vormen in de beweging, hoe ideeën opkomen en hoe het landschap ineens beeldend mee op lijkt te lopen met innerlijke roerselen. Na dat lopen lukt het wel weer om er iets van te maken, de onvermijdelijke schermtijd waar Nietzsche natuurlijk nog geen last van had. Gaandeweg ben ik ook ‘mijn’ paden van destijds opnieuw gaan bewandelen. Daar waar ik liep als kind, als adolescent en student. Klassieke landschappen in het Gooi zijn dat met een afwisseling van akkers en bosranden en daar weer tussendoor stukken hei met zandverstuivingen. Het Gooimeer, dat vroeger natuurlijk het IJsselmeer was zonder ingepolderd land aan de horizon, is er nooit ver weg. Wonderlijk om daar opnieuw te lopen. Dat wat ik aantref is precies wat het was en waarschijnlijk ook zal blijven. Mijn voeten weten de weg alsof ze mijn oude passen volgen die er nog liggen. Tegelijkertijd is er een indringende en ook pijnlijke ervaring van verlies. Ik ben er niet meer thuis. Het voelt alsof een samenhang die er was, zoek is geraakt en zich nu niet meer laat terugvinden. Ben ik mijn verleden kwijtgeraakt? Ook al beloop ik alle paden: weg is weg.

 

Toen ik destijds cello ging studeren op het conservatorium kreeg ik met een ‘klein’ instrument deel aan wat met een ‘groot’ woord de Europese Cultuur genoemd kan worden. Een canon waarin het, als je er zoals ik deelgenoot van werd, gewoon was om verbindingen te leggen vanuit de scheppende activiteit van de muziek naar religie, naar filosofie, naar ideeëngeschiedenis. Niet dat ik daar nu zo bewust of overmatig aan deed maar het was wel allemaal voorhanden. Door cello te gaan spelen stapte ik in een traditie. Ik streek mijn partijtje mee in een groot en wijds uitgestrekt ensemble vol epische voorgangers en eigentijdse helden. Vanuit mijn basso continuo cello noten bewonderde ik de provocatieve vernieuwers en de anders denkenden: eigenzinnige pioniers die in een aantal opeenvolgende generaties de klassieke muziek hadden opengebroken. Schönberg die de tonaliteit vaarwel zei. Strawinksy die met de Sacre du Printemps de revolutie veroorzaakte, nieuwe ritmes bracht en zichzelf opvallend vaak vernieuwde, Bartok die de volksmuziek integreerde en met een grote fonograaf de binnenlanden van Hongarije in trok. Messiaen die vogelzang begon te noteren en zo verder naar de componisten die met heroïek omgeven de muziek in beweging hielden: Louis Andriessen, Pierre Boulez, Luigi Nono, Karlheinz Stockhausen, John Cage en ga zo maar door. Ik loop door de landschappen van destijds die ik zo goed ken. Ik kan me de namen van mijn helden herinneren. Ik ken nog steeds alle verhalen rond de stukken die ze maakten en de uitvoeringen waar dat toe leidde. Dat was ‘mijn wereld’. Ik leefde intens met hen en met die muziek. Maar waar zijn ze nu gebleven? Ik moet denken aan de waanzinnige muziek van de Turangalila symfonie van Olivier Messiaen waarin de Ondes Martenot voorkomt, een van de eerste elektrisch versterkte instrumenten die met een gierend en krijsend geluid het hele orkest kon overstemmen. Van dat stuk werd gezegd dat het was alsof het de Europese cultuur zelf was die schipbreuk leed en dansend en feestend ten onder ging zoals dat met de Titanic gebeurde. Is toen al dat grote verdwijnen begonnen? En is dat alles nu definitief kwijt? Leef en speel ik slechts mee in het naspel?

 

In het journaal van 15 april 1971 zit een groot item over de uitvaart van Stravinsky. Zijn Requiem Canticles uit 1966 worden uitgevoerd in de basiliek van de heiligen Giovanni en Paolo in Venetië. Er is pracht en praal en heel veel belangstelling. Fascinerend aan de Requiem Canticles is dat Stravinsky op hoge leeftijd, hij was 84 toen hij het stuk schreef, begon te experimenteren met andere en vrij radicale  compositie technieken en met heel korte vormen. Het hele requiem duurt maar een kwartier. Lichte ritmische strijkers met klagende kreten van de violen vormen de opening van 1 minuut en elf seconden. Een trage puls van magische akkoorden in buisklokken die later in heel veel composities van Louis Andriessen terugkomen het slot. Dan wordt de kist voorzichtig opgepakt, waardig naar buiten gedragen en in een klaarliggende zwarte gondel getild. Omgeven door andere gondels en boten vaart de zwarte gondel weg in de richting van het dodeneiland San Michele. Het was de wens van Stravinsky om naast zijn ontdekker, de grote choreograaf Diaghilev die er zelf al zo’n 30 jaar lag, begraven te worden. Ik kijk en luister en denk ‘dit komt nooit meer terug. Het is kwijt’.       

 

Dat was toen. Nu is de wereld anders en zijn de vragen anders. Op mijn werk bij HKU spreek ik met een groep die bezig is een ecologische wending te willen maken. Hoe moeten we omgaan met de klimatologische rampen die gaande en aanstaande zijn? Er zijn steeds meer mensen die er niet zomaar meer op vertrouwen dat technologie ons wel gaat redden, dat we op tijd klimaatakkoorden zullen maken. Daar komt het pleidooi vandaan om in plaats van weg te kijken de crisis juist ‘in de bek te kijken’. We bekijken een website die dat daadwerkelijk doet: dark-mountain.net. De website brengt als in een groeiende beweging een heel netwerk denkers, dichters, storytellers en kunstenaars bij elkaar die een ander en eerlijker verhaal willen vertellen over de wereld. Er worden boeken gepubliceerd en events georganiseerd. De opening van het Manifest is het gedicht ‘rearmament’ van de dichter Robinson Jeffers, die precies gelijk op leefde met Stravinsky. Jeffers groeide uit tot een iconische figuur in de milieubeweging. Het gaat zo:     

Rearmament

These grand and fatal movements toward death: the grandeur of the mass
Makes pity a fool, the tearing pity
For the atoms of the mass, the persons, the victims, makes it seem monstrous
To admire the tragic beauty they build.
It is beautiful as a river flowing or a slowly gathering
Glacier on a high mountain rock-face,
Bound to plow down a forest, or as frost in November,
The gold and flaming death-dance for leaves,
Or a girl in the night of her spent maidenhood, bleeding and kissing.
I would burn my right hand in a slow fire
To change the future…I should do foolishly. The beauty of modern
Man is not in the persons but in the
Disastrous rhythm, the heavy and mobile masses, the dance of the
Dream-led masses down the dark mountain.

Dit raakt me, de onomwonden en directe taal en het activistische van de beweging eromheen. Ik realiseer me eens te meer hoe sterk de gedachte ‘we fixen het wel’ nog steeds is. We denken nog altijd in termen van maakbaarheid. Deze taal en dit initiatief breken daar doorheen. We fixen het dus niet! Maar de kennismaking hiermee vergroot ook de verwarring waar ik in de lock down letterlijk mee rondloop. Waar kan ik energie uit putten, hoe kan ik waarderen en motiveren en tegelijkertijd beseffen ‘we fixen het niet’?

 

VV OOK richting studenten. Last van de toekomst op hun schouders. Wanhoop. Burn out. En dan kom ik aan met dat recht in de bek kijken? Ik weet niet hoe ik dat goed moet doen.

 

En de cello komt daarbij op de een of andere manier steeds meer in het brandpunt van mijn twijfel en onmacht te staan. Waarom speel ik daar eigenlijk op. De cello wordt een soort zondebok, vatbaar voor beschuldigingen. Ik zou dingen willen zeggen zoals ‘Jij hebt me telkens laten spelen terwijl de wereld ten onder gaat. Jij hebt niks gezegd. Jij verwijst alleen maar naar jezelf en eist mij op. Hoe kan ik nu iets anders gaan doen als onze gewoonte zo moervast is komen te zitten. Wat wil je toch van mij. Zie je dan niet dat het voorbij is?

 

Ik ben geloof ik bang dat mijn rol als ‘cellist’, als een ‘man met cello’, ernstig ziek is en niet lang meer te leven heeft. Ik ben bang dat dat personage als representant van de klassieke muziek, ooit een vitaal onderdeel van de Europese cultuur, ten dode is opgeschreven. Ben ik met dat ding op mijn rug en al die ambachtelijke handelingen van het uitpakken, stemmen en stok opspannen, tot het daadwerkelijk strijken en spelen om tot klinken te komen, niet een wandelend anachronisme aan het worden? Is die rol van ‘de cellist’ niet gewoon uitgespeeld? Misschien dat ik er te somber over ben. Op social media roept de ‘tag’ cello een beeldenstorm op evenzo groot als de lawine van nieuwe uitvoeringen op spotify. Er wordt steeds beter gespeeld over de hele breedte van de muziek van fijnzinnige reconstructies in de oude muziek tot en met elektrische strijkkwartetten van vrouwen met korte rokjes en decolleté’s waar de cello een plank is geworden met snaren en een snoer. Waar komt dan toch dat ondergangsgevoel vandaan? Is het die lockdown waar we nog steeds inzitten die me parten speelt, het podium dat verdwenen is, de levende uitvoering die op slot zit? Wat draag ik bij aan steeds grotere vragen in de wereld? Ik ben bang dat ik met dat spelen van mij niet de toekomst ben, maar het verleden….

Ik moet (zoals heel vaak in mijn leven dus ook nu weer) denken aan de mythe van Orpheus. Die gaat ook over verlies en over niet vast kunnen houden. Ik denk dat daarin, een zowel mooie en meeslepende als verdrietig en eindige, grondtoon klinkt die kenmerkend is voor mijn verhouding tot muziek.

Zingend en spelend op zijn lier heeft Orpheus het vermogen niet alleen de mensen maar ook de dieren innerlijk te beroeren. Als hij speelt maakt de gewone orde plaats voor een andere wereld lijkt het wel. Hij wordt om zijn unieke kwaliteiten zeer gewaardeerd. Maar aan de figuur van Orpheus is tegelijkertijd onlosmakelijk het verhaal verbonden hoe zijn geliefde Euridyce op de dag van hun huwelijk door de beet van een giftige slang komt te overlijden en hoe Orpheus, ontroostbaar, haar vervolgens terug wil halen uit de onderwereld. Louter door te spelen en te zingen weet hij de wachter bij de dodenrivier de Styx te bewegen hem als levende toegang te geven tot het dodenrijk. Daar rondzwervend passeert hij diverse mythologische figuren die kwellingen ondergaan als straf. Tantalus die tot zijn knieën in het water van een rivier staat heeft alle dagen een grote dorst, maar kan zich niet vooroverbuigen om daadwerkelijk te drinken. Sisiphus heeft alle dagen tot taak een grote steen tegen een berg op te rollen, maar eenmaal boven aangekomen, rolt de steen onhoudbaar weer naar beneden, zodat hij opnieuw zal moeten beginnen. Daar beweegt Orpheus zich spelend en zingend doorheen. Zo verregaand vrij en ongebonden is muziek, zijn muziek! Als hij bij de koning en koningin van de onderwereld aankomt, weet hij hen al spelend en smekend te bewegen de dode Euridyce aan hem mee te geven. Er is echter één voorwaarde aan verbonden: hij mag op het lange smalle pad naar de wereld van de levenden niet omkijken naar Euridyce die achter hem aan zal lopen. Doet hij dat wel, dan zal Euridyce voor eeuwig terugvallen naar het dodenrijk. Verheugd beweegt hij zich op weg. Maar eenmaal op dat smalle pad aangekomen wordt hij door twijfel gegrepen en vraagt ‘Euridyce, je bent er toch wel?’ Ze antwoordt dat hij zich geen zorgen moet maken en zich aan de afspraken moet houden. Orpheus laat zich sussen. Maar een stuk verderop slaat de twijfel weer toe: ‘Euridyce’ zegt hij ‘hoe kan ik zeker weten dat je bij me bent?’ Zij zegt dan tot hem dat hij toch haar stem hoort, dat dat genoeg is om er te zijn en dat hij vooral niet moet omkijken. Enigszins gerustgesteld zet Orpheus zich weer in beweging. Maar na een tijdje, de wereld van de levenden al in het zicht, is er weer die twijfel, nu nog heviger dan voorheen. ‘Euridyce’ zegt Orpheus, ‘ik moet het zeker weten’. En nog voordat Euridyce iets terug kan zeggen kijkt Orpheus om en valt Euridyce, reddeloos verloren, terug in het dodenrijk.

Vanaf de eerste keer dat ik dit verhaal hoorde heeft het me nooit meer losgelaten. Ik blijf ermee bezig. Je zou kunnen zeggen ‘stom zeg’ en ‘had dat dan niet gedaan, dat omkijken’. Maar zo eenvoudig is het niet. Er zit een onvermijdelijkheid in. Want hoe had Orpheus ooit kunnen denken dat het zou lukken een dode mee te nemen naar de levenden? Was het, hoewel oneerbiedig naar Euridyce om het zo te zeggen, misschien wel dapper om de tragiek dan maar recht ‘in de bek’ te kijken?

Groter dan de personages zegt de mythe misschien ook iets over muziek. En misschien ook wel over de taal. Spelend en zingend kan Orpheus zich met de dieren verstaan en kan hij de grenzen van het schimmenrijk overgaan. Dat is wat muziek doet: een andere wereld oproepen en toegang geven daar waar je normaal niet kan komen. Sterk en geloofwaardig. Maar zo gauw het eind van het liedje in het zicht komt, valt alles wat is opgeroepen weer terug in het niets en sta je met lege handen. Spelen is leuk. Stoppen met spelen is pijnlijk. Het valt me op dat Orpheus op de heenweg voortdurend speelt en pas op de terugweg begint te twijfelen en te praten. Was hij maar blijven spelen. Maar dat kan dus niet! Dat is het onvermijdelijke van het lot in dat verhaal. Na het verlies van Euridyce ging het met Orpheus steeds slechter, totdat hij uiteindelijk door een groepje Bacchanten in stukken gescheurd werd en het leven liet. Dit verhaal, waar ik al jaren mee leef, is dus op zichzelf al net zo’n groot anachronisme als die cello. Wat moet ik ermee? Nu wordt Orpheus de zondebok. Weg ermee. Kappen met die mythologie!  Toen ik een oud herbarium van mijn grootmoeder meenam naar de les, je weet wel, zo’n losbladig boek waarin planten gedroogd worden, zei een studente dat we al die oude meuk nu wel eens konden opruimen. Ik geef les aan een opleiding met allemaal nieuwe beroepen rondom creatieve transformatie met designers en ontwerpers in alle soorten. En ergens heeft ze misschien nog gelijk ook: de cello, de mythe van Orpheus, een herbarium. Ze hebben hun tijd misschien wel gehad.

(1992) Ik werd gebeld door de vriendin van mijn vader uit Oostenrijk waar ze samen op vakantie waren. ‘Het gaat niet goed met hem’ zei ze. Een uur later belde ze weer. Hij was dood: aan een aneurysma overleden. Het duurde nog een paar dagen voor hij was gerepatrieerd. Hij kwam met het vliegtuig en daarna met de auto. We wachtten hem op in zijn huis en droegen de kist over de drempel. Die nacht bleef ik waken bij het lichaam. Durfde ik hem aan te raken? Het lichaam was hard geworden, geboetseerd in was. Onbeweeglijk. Mijn vader wilde graag gecremeerd worden, maar wij, zijn kinderen wilden een graf. Tenslotte strooiden we toen het zover was de as in het graf samen met tekeningen van de kinderen. Dat was dat. Een paar jaar later zag ik een documentaire met de cellist Yoyo Ma. Hij spreekt daarin over de sarabande uit de vijfde suite van Bach. Toen zijn vader oud en ziek was en niet meer kon praten speelde hij die altijd voor hem tot en met een laatste uitvoering op de uitvaart. Het gesprek was gestopt, de muziek was gebleven. Dat had ik nog te doen bedacht ik me! Ik studeerde de weken daarna de muziek in en leerde die uit mijn hoofd. Met de cello op mijn rug en een stoeltje in de hand ben ik naar het kerkhof gegaan op een gure dag. Daar speelde ik. Bij het graf. Ganzen vlogen over. 

En nu ik ook deze dood heb opgeschreven denk ik dat alles wel gezegd is. Het is klaar. Met de laatste zin uit Shakespeare’s Hamlet, waarin iedereen eraan gaat en ook Hamlet zelf uiteindelijk als tragische held het loodje legt kan ik schrijven: ‘the rest is silence’.

Maar op hetzelfde moment realiseer ik me dat, in alle verhalen over de dood, de muziek een opvallende rol vervult. De componist schrijft (aanvankelijk voor iemand anders) een requiem dat bij zijn eigen uitvaart wordt uitgevoerd. Orpheus bespeelt de lier die hem toegang geeft tot het dodenrijk. Yoyo Ma speelt voor zijn stervende vader en ik speel op het graf van de mijne. De muziek schept een verhouding tot de dood. En daarmee tot het leven. De zeggingskracht van deze verhalen was er niet geweest als de muziek er niet was geweest. Dat werpt een ander licht op mijn vraag waarom ik speel. Ik kan er geen problemen mee oplossen met die cello, ik kan er geen adviezen mee geven en ja het neemt een deel van mijn wezen in beslag dat anders andere dingen had gedaan. Maar wat ik als man met cello wel kan is iets bijdragen aan de tragische kant van het bestaan. Daar waar ik zelf misschien weg zou willen kijken of erom heen zou willen bewegen helpt, die cello bij het zogenaamde ‘in de bek kijken’. Spelen in relatie tot het tragische is zoiets als op een betekenisvolle manier bij de pakken neer zitten.

Wat daarbij helpt is dat er onder de negen muzen één is die een tragisch masker bij zich heeft. Ze draagt toneelsandalen met lange veters om de kuiten en houdt een vlijmscherp zwaard in handen. Melpomene heet ze. Haar naam wordt met ‘melodie’ in verband gebracht. Dat is fascinerend omdat dus alleen al ‘melodie’ zou bijdragen aan het toelaten van een tragisch besef. En ze staat niet alleen in haar rol om het tragische een plek te laten krijgen in het dagelijks leven. Er is in de oude Griekse tijd een bloeiende cultuur met de dichters Aeschylus, Sophocles en Euripides die de tragedie ten tonele voeren. Niet dat de tragiek er minder van wordt, niet dat het een directe oplossing brengt, maar de opvoering, het spel helpt de toeschouwer om zich tot het tragische te verhouden. Dat is wezenlijk anders dan de maakbaarheid van het ‘we fiksen het wel’. Dat motief van het ‘in de bek kijken’ vraagt om manieren van werken die het tragische weer meer toe te laten.

 

Wat zeg ik daarover dan eigenlijk tegen mijn studenten? (noot: voor de goede orde. Dat zijn geen cellisten in wording, maar allerlei studenten in verschillende disciplines). Kan ik als docent en als begeleider van onderzoekers wel zo ver het zwarte pad opgaan? Hebben ze met de grote kwesties rond gezondheid, oorlog en klimaat niet al meer dan genoeg aan hun fiets hangen. Ik zie dat de druk op hen groot is. Ook doordat complexe vragen steeds vaker bij de kunst aankloppen op zoek naar nieuwe en andere manieren van denken en werken. Moet ik vooral bemoedigen of mag ik zoals op deze bladzijden ook het donker toelaten? Er is nog veel maakbaarheidsstreven in het onderwijs waarvan ik denk dat het vollediger en eerlijker is als ook het ongemak en het niet-maakbare een plek krijgt.  Ik denk dat ik een deel van mijn lessen ‘requiem les’ of ‘tragiek les’ ga noemen, of misschien ook wel ‘rituelen les’ en dat ik nog meer vormen ga zoeken voor verlies, voor rouw en voor verdriet. (noot: iets schrijven over het werk van Ida van der Lee). Zoals een stukje draaien uit de documentaire ‘tot het bittere einde’ waarin, de inmiddels overleden, zanger Jan Rot vertelt over hoe het is om vlakbij de dood te zijn en hoe hij daarover zingt en speelt.

 

Zonder mij het te realiseren ben ik met al dat lopen ook inhoudelijk een heel klein beetje in de voetsporen van Nietzsche terecht gekomen. Wonderlijk hoe dat gaat. De eerste associatie was niet meer dan: ‘Nietzsche liep veel’. Maar nu ik inmiddels tot hier geschreven heb en het nog even nakijk weet ik weer dat Nietzsches eerste boek (toevallig?) precies over het thema van mijn hoofdstuk gaat. De titel is ‘de geboorte van de tragedie’. Nietzsche is pas 25 jaar oud als hij hoogleraar wordt in Bazel en dit eerste boek schrijft. Het gaat over de opkomst en neergang van de Griekse tragedie als kunstvorm en over een  dichterlijke manier van denken en naar de wereld kijken die daarmee verbonden is. Nietzsche zegt dat het tragische een samenspel is van orde en van wanorde, van het logische eenduidige en het onlogische ambigue. Hij noemt de heldere kant het Apollinische naar de god Apollo en het duistere deel het Dionysische naar de god Dionysus. Zijn bezorgdheid is dat de donkere dionysische ongrijpbare kant van het bestaan verdrongen is door logica, ratio en verstand. Hij hoopt in 1872 op het herleven van het tragische besef. Wonderlijk hoe dat motief ook nu in 2022, in ieder geval bij mij, om aandacht vraagt. Ik voel mij er, met cello en al, door aangesproken. Hier heb ik iets in te doen.  

 

Reacties