11- Rollen op de rand

(gekkengetal) Wat is rol van kunst in organisatie? In andere context? Verkennen van een aantal figuren die een 'rol op de rand' vertolken.

Ken je dat, het verlangen om je werk eigenzinnig naar je hand te zetten, om af te wijken van de gebaande paden, op de bres te staan voor het ongewone andere, dat wat er nog niet is? Maar krijg je er ook de passende waardering voor? Zeggen de omstanders ‘wat fijn dat je zo eigenzinnig was’? Krijg je er misschien wel een trede bij: ‘op grond van eigenzinnigheid bevorderd’? Als eigenzinnige professional beweeg je je op de rand van de regels, ga je misschien wel je boekje te buiten. Eigenzinnigheid kan daarmee makkelijk aangezien worden voor een persoonlijke eigenaardigheid eerder dan een vorm van professioneel handelen. Een lichte ergernis kan aan eventuele waardering, die pas later komt, voorafgaan: ‘let maar niet teveel op hem, hij is nu eenmaal eigenzinnig’. Of ‘typisch iets voor jou om dwars te liggen’. Zo kan de eigenzinnige ook over zichzelf denken: ‘kan ik nu nooit eens gewoon volgzaam meedoen’ of ‘ik moet er tegenin gaan, als ik het niet doe, wie dan wel’? Maar als het zo op de persoon gespeeld wordt, wat betekent dan professionele eigenzinnigheid? Wat is de legitimiteit ervan?

Charlotte is clini-clown. In een groep met deelnemers uit verschillende beroepen vertelt ze over haar werk in het ziekenhuis voor ernstig zieke kinderen, door ons iets voor te spelen. Ze heeft een vierkant op de grond gemaakt. Als ze daar in staat is ze ‘in’ haar werk. Als ze uitstapt kan ze als een soort ondertiteling iets ‘over’ haar werk tegen ons zeggen. Zo werkt ook de rode clownsneus. Als ze die opzet is ze ‘in’ als clown als ze hem weer afzet is ze één van ons. Ze nodigt verschillende deelnemers uit om fysiek op de set te komen. We bewegen als doktoren en verplegend personeel en doorkruisen haar speelveld continue. We staan als ouders van zieke kinderen voor wie ze speelt aan de rand en vragen aandacht. Het is een boeiende chaos waarin Charlotte er ondanks alle verstoring in slaagt een magische tussenruimte te scheppen en die open te houden. Een tussenruimte waar het tragische en het komische kan zijn: de lach en de traan. We zijn er stil van. Het raakt, het is direct en het is rauw: we voelen de hard botsende werelden van zorg en verbeelding.

Wat we zien is ‘eigenzinnigheid’ bedenk ik me ineens……maar nu niet als een persoonlijke actie ingezet, maar als de uitoefening van een rol! Charlotte zet een rode neus op en is tijdelijk een ander. We zien de dubbelzinnigheid van meedoen met wat er gaande is en het contrapunt van de verbeelding. De clown in haar vertolking is een ‘rol op de rand’. Ze zoekt de grens op van wat toelaatbaar is, schurkt daar letterlijk over de vloer rollend tegenaan en gaat er soms overheen. Kan dit nog wel? Het is op het randje! De clown, Charlotte, helpt mij om professionele eigenzinnigheid’ te zien als een rol in plaats van als persoonlijke eigenaardigheid. Zouden er meer van zulke rollen zijn? Aangemoedigd door de scene met Charlotte stip ik er als denkoefening drie aan: de nar, de troubadour en de klaagvrouw.    

De nar

Door de figuur van de clown komen we als vanzelf op de klassieke rol van de nar. Die mag, destijds aan het hof en dus in de hoogste kringen, dingen zeggen die niemand anders zich kan veroorloven. Rondom de nar hangt ook altijd het beeld van de zonderling. Hij spoort niet helemaal maar kan verrassend en met een heel eigen zinnigheid uit de hoek komen. Om de specifieke rol te benadrukken zijn er de bellen, het narrenpak met zotskap en een staf. De kern van de narrenwijsheid ligt misschien wel in het met ironie en humor ‘aanspreken’ van hooggeplaatste personen. Op zoek naar wat eronder en achter ligt prikt de nar het decorum door. Waar gaat het écht om?

De troubadour

Een andere figuur om erbij te halen is de troubadour die zingend en spelend zijn bijdrage levert. De troubadour vertelt en zingt over de gebeurtenissen van zijn tijd als een vorm van nieuwsvoorziening, met daarin besloten natuurlijk een vormend aspect. Wat is goed en waardevol om te waarderen en te bezingen? Last but not least bezingt de troubadour in de minnezang ook de liefde in alle soorten en maten. ‘Is dat nu eigenzinnigheid, het is toch helemaal niet dwars’? zou je kunnen vragen. ‘Dat hangt ervan af’ zou ik terugzeggen. ‘Als je de troubadour transporteert naar eigentijdse werksituaties zou dat bezingen even welkom als ongewoon zijn in een heersende werkcultuur die op tal van plekken last heeft van een overdaad aan protocol en regelgeving?’

De klaagvrouw,

Zou het werk van de klaagvrouw, die de tranen faciliteert, ook een eigenzinnige rol kunnen zijn? Helping the tears out. Ruimte maken voor emoties als rouw, verdriet en wanhoop die anders makkelijk weggedrukt zouden worden. Zoals in het kinderverhaal ‘tranenthee’ van Arnold Lobel, Uil de rol van klaagvrouw voor zichzelf vervult:    

Uil pakte de ketel uit de kast. 'Vanavond ga ik tranenthee zetten,' zei hij. Hij zette de ketel op zijn schoot. 'Zo', zei Uil, 'ik ga beginnen.' Uil bleef heel stil zitten. Hij begon aan heel verdrietige dingen te denken. 'Stoelen met kapotte poten', zei Uil. Zijn ogen werden al een beetje nat. 'Liedjes die niemand kan zingen', zei Uil, 'omdat niemand de woorden meer weet.' Uil huilde nu. Een dikke traan rolde naar beneden in de ketel. 'Lepels die achter het fornuis zijn gevallen en die je nooit meer terugvindt', zei Uil. Er drupten al heel wat tranen in de ketel. 'Boeken die je niet meer kan lezen', zei Uil, 'omdat er bladzijden uitgescheurd zijn.' 'Klokken die stilstaan,' zei Uil, 'omdat niemand ze meer opwindt.' Uil huilde nu heel erg. Veel dikke tranen vielen in de ketel.

Wat is hier het eigenzinnige? De eigentijdse werkcontext is eerder op maakbaarheid dan op verlies geënt. Verlies en mislukking zijn er natuurlijk volop, maar de mechanismes om die onder de tafel te houden zijn sterk. De eigenzinnige professional die hier gevoel voor heeft en helpt deze dimensie in het werk aanwezig te stellen zou je een klaagvrouw of -man kunnen noemen.  

Wat laten clown, nar, troubadour en klaagvrouw zien wat we mogelijk mee kunnen nemen naar de eigenzinnige professional?    

Tijd, plaats en afspraak

Hun rol is geen permanente rol die continue wordt uitgeoefend, maar een tijdelijke die zich in een specifieke context afspeelt. De clown zet een rode neus op en stapt in het spel tot het klaar is. De nar krijgt op gezette tijden de vloer. De troubadour is een performer. Zijn optreden vindt plaats in een publieke opstelling met een begin en een eind. Ook de ‘tranenthee’ van de klaagvrouw betreft een specifieke gebeurtenis op een daarmee verbonden plek zoals een begraafplaats. Een groot verschil met de volgelvrije eigenzinnige die maar moet zien wanneer en hoe die ruimte krijgt is bovendien dat hier een afspraak de grondslag vormt. Willens en wetens, hoe confronterend het ook kan zijn, staan we de clown en consorten hun bijdrage toe. Een contractering van de vrijheid.

Vermomming

Een overeenkomst tussen de ten tonele gevoerde rolfiguren is dat ze herkenbaar zijn aan hun kleding. Ze zijn uitgedost om een andere wereld of een ander stukje van de werkelijkheid te representeren. Hun kledij helpt met het vervullen van de rol. De klaagvrouw moet niet een te duidelijk personage zijn. De troubadour moet herkenbaar zijn als zanger/ verteller. De nar schept door de bellen, de kap en het pak ruimte voor zijn performance. Het zijn tijdelijke vermommingen om even niet jezelf te zijn en ruimte te maken voor je rol van ‘anders zijn en anders doen’.

Het publiek speelt mee

Tenslotte nog iets over de manier waarop de bijdrage wordt ontvangen door de omstanders. Zij moeten het spel meespelen, zich mee laten voeren door de clown en zich laten roeren door de klaagvrouw. Er is een zeker geloof in de tijdelijke andere realiteit vereist anders bestaat die niet. Als het kind zou roepen ‘die mevrouw zet een neus op’ breekt de verbeelding. En bij de andere figuren is dat al precies zo. Er moet een zekere bereidheid tot vervoering zijn en de rolfiguur moet daar ook toe uitnodigen. ‘Mag ik je even meenemen in iets heel anders’?

Concluderend drie opmerkingen:

  • Denken in termen van een ‘rol’ maakt eigenzinnigheid minder persoonsafhankelijk. Het ‘jij ook altijd’ wordt verruild voor een serieuze bijdrage in en aan het professionele werk.  
  • Meegaan in een tijdelijke rol van een eigenzinnige professional kan bijdragen aan

Er wordt uit een ander vaatje getapt, dat normaal gesproken buiten beschouwing blijft.

  • Door meerdere verschijningsvormen van eigenzinnigheid actief te benoemen als ‘rollen’ wordt het beroepsbeeld rijker en minder eenduidig.  

Moet je nu een muts op of een soepjurk aan? Nee, dat hoeft niet. Maar actief ‘in’ een rol stappen en je tijdelijke rolverschuiving overeen komen met de omstanders helpt enorm. Denk aan variaties op zinnetjes zoals: ‘Mag ik even de nar zijn’? ‘Zou jij ons willen helpen de klaagvrouw te zijn’? en ‘Ik zoek iemand die deze gebeurtenis terplekke kan bezingen’. Dat is een vorm van contractering van jouw vrijheid met de mensen met wie je werkt waarmee je een legitieme ruimte maakt voor jouw eigenzinnigheid.

Bart van Rosmalen

Achtergrond

Sinds anderhalf jaar maak ik deel uit van een onderzoekgroep waarin deelnemers vanuit verschillende functies en organisaties elkaars praktijken bevragen op zoek naar werking van professionele eigenzinnigheid. Al meteen bij de eerste bijeenkomst komen we uit op de werktitel ‘rollen op de rand’ en op de gedachte dat ouderwetse of cultureel bepaalde rollen in het maatschappelijk verkeer zoals de nar en de troubadour ons misschien iets kunnen laten zien over ons onderwerp. Dit korte artikel is een eerste schets van die denktrant. Met dank aan Illya Soffer, Pieter Lems, Mieneke van der Wal, Ingeborg Weltevrede, Josje van Duin en Maurice Berix.  

 

Reacties