9- Maak iets

Werken aan de onderliggende orde. Wat maken doet. In een groep. Balans brengen. Hoofd, hart en handen. contrapunt van onrust. Kan nog worden uitgebreid met Sennett/ presentie. Tastbaarheid van het maken. concreetheid. 'waarheid' die daarin zit. En dus de collectiviteit van de onderliggende orde, waar we ook al zijn we in heftig debat met tegenstellingen ook op zijn aangesloten.

Hoe moeten we omgaan met de volgende module: live, hybride of digitaal? Dat debat ontbrandt in een groep waarmee ik een dag samen werk. Mij schiet een les ethiek van Paul van Tongeren te binnen en ineens zie ik alle vier soorten ethiek langskomen. De 'plicht' om niemand te besmetten, de regels als een 'contract' om je aan te houden, dat het 'nut' kan hebben om toch iets anders te doen en de 'deugd' om er samen in te staan. Als contrapunt van de verhitte gemoederen maken we iets. Dat draagt bij aan samenhang en gemeenschappelijkheid! Hoort maken als een vijfde wiel aan de wagen van de ethiek? Dit artikel is nummer 8 in een reeks van 33 voor en over de creatieve professional.

Als begeleider van de groep ben ik extra vroeg op pad om de opstelling te maken, de ruimte toe te eigenen en de deelnemers één voor één te begroeten als ze binnenkomen. Vandaag werk ik om de hoek in motel de Witte Bergen langs de A1. Zijn die witte bergen de zandverstuivingen op de hei ernaast? Of zijn het die enorme bossen met witte krentenbomen in het voorjaar aan de andere kant van de snelweg? Dat vraag ik me altijd af. Ik draai de parkeerplaats op en zie dat er aan de zijkant van het gebouw nog een paar losse auto’s staan, niet persé dichter bij de ingang, maar wel prettig afwijkend. Daar zet ik de mijne tussen. Onze ruimte heet Alaska zegt de receptioniste. Die vind ik, de trap af naar beneden, in het souterrain. In de zaal loopt vanaf onderkant raam een met kunstgras bekleed talud schuin omhoog zodat een strook daglicht binnen valt. Kijk eens aan, daar zie ik in de hoogte warempel de wielen van mijn auto! Zo heb ik het graag: in het zicht van mijn bestemming parkeren. Gezellig. Jammer van het te groene kunstgras maar een grasroller zou die hellingshoek nooit trekken. Kunstsneeuw was voor een ruimte die Alaska heet wellicht te overwegen geweest. En dan komen de eerste deelnemers binnen.  

Halverwege de ochtend verken ik, zoals vaker op dergelijke dagen, aan de hand van mijn cellospel, wat improviseren in de muziek kan leren aan het improviseren als manager in complexe vragen. We zitten er helemaal in en er komen goede inzichten naar voren. Maar ondertussen wordt mijn nieuwsgierigheid geprikkeld door iets ongewoons. Er is een bepaald soort energie….. Wat is dat? De groep heeft een sluimerend verlangen om meer ‘in’ het maken te zijn vermoed ik. Daardoor aangemoedigd stel ik een ongewone vraag. Als ik iets speel, zou je dan aansluitend willen antwoorden met een kort verhaal? In een paar minuten tijd verandert de toon van het gesprek en verschijnen de deelnemers als dragers van verhalen die indrukwekkend zijn en iets losmaken. Wat een werking heeft dat. Er is geraaktheid en onderlinge betrokkenheid. De tijd die even stil staat halen we later wel weer in.

Tijdens de lunch ontbrandt in de groep een fel debat over hoe de tweedaagse module van een week later gerealiseerd zou moeten worden: live, hybride of digitaal? Ik volg het strijdperk van een afstandje. Zo kan de groepsdynamiek dus ook zijn. Alle rollen zijn aanwezig en worden met verve gespeeld: de opstoker, de verbinder, de susser, de twijfelaar, de outcast…Dit is nu eens een spannend voorbeeld van een ethisch dilemma dat moeilijk oplosbaar is door een veelheid aan niet tot elkaar herleidbare argumenten over wat het goede is om te doen. Een paar maanden eerder heb ik een fascinerende ochtend les gehad van hoogleraar ethiek Paul van Tongeren (Radboud Universiteit) en nu van een afstandje hoor ik ineens die verschillende soorten ethiek langskomen die hij ons heeft geleerd.  

‘We moeten kosten wat het kost vermijden dat iemand van ons de hele groep besmet’ stelt de eerste die daarmee een beroep doet op een hoger liggend doel waar je niet tegen kan zijn (plichtethiek). Een ander verwijst naar de regels die aangeven dat het mag. Dat zit in dezelfde hoek van ‘afspraak is afspraak’ als degene die zegt dat de programmadirecteur al een besluit heeft genomen en dat we ons daaraan kunnen houden. (contractualisme). Een derde zegt dat ‘live’ bijeenkomen een grotere leeropbrengst heeft en dat dat toch het doel van dit traject is. Die doet een beroep op het nut. (utilitarisme). En weer een ander stelt dat het belangrijk is om als groep een standpunt in te nemen en beroept zich meer of minder expliciet op de solidariteit. Dat is een deugd, een waarde die tussen mensen speelt, waar je altijd het juiste midden van moet zien te vinden. (deugdethiek). En wat van Tongeren al aangaf klopt: hoe lastig het is dat elk van die verschillende invalshoeken op ethiek voor een stukje ‘waar’ zijn. De gemoederen komen inderdaad nog niet echt tot rust en ik moet verder met mijn programma. Ik moet iets van een brug maken, maar hoe doe ik dat? Weer wijk ik van mijn pad af om te improviseren, nu door iets over ethiek te vertellen als reflectie op hun gesprek. Ik doe het ook om het moment van mijn volgende werkvorm die ik me in deze setting domweg niet kan voorstellen vooruit te schuiven: een zwijgende theatrale dialoog in tweetallen!? Hoe moet dat nu weer? Na het ethiek-bruggetje stel ik de groep voor de keuze: willen jullie fysiek werk of een reflectievorm die rustiger is? De groep weet het niet en dat kan ook niet. Dan zegt een van hen ‘misschien moet je nog even wat spelen. Dat brengt ons terug naar waar we waren. Dan weten we het wel’. Een gouden interventie. Ik speel Bach. En opnieuw verandert in een paar minuten de hele setting. Het ongemak verdwijnt en lost op. ‘Doe maar fysiek werk’ zeggen ze opgewekt als het spelen klaar is.     

Het derde moment is aan het einde van de dag. We spreken over wendingen, kleine regisserende zinnen, die je in vergaderingen en werksessies kan zeggen die het patroon van werken op een ander been kunnen zetten. Ik vertel over een van mijn favoriete mini-interventies die ik ook wel met studenten doe als er nog maar een kwartier over is. Dan zeg ik: ‘maak iets’ en zwijg aansluitend. Ik vertel dat de blikken dan verbaasd zijn. ‘Hoezo maak iets? Waarover moet het gaan? Wat is het doel?’ zeggen die studenten dan. Mijn antwoord aan hen is dan zoiets als ‘nou hebben we het voortdurend over de vrijheid en de autonomie van de kunst en krijg je een uitnodiging met maximale vrijheid en vraag je om kaders en regels. Hoe rijm je dat? Ik zou dat ‘maak iets’ maar met beide handen aanpakken. Het is aan jou…’. Terwijl ik dit verhaal met de groep deel voel ik net als in de ochtend weer dat maakverlangen bij hen. ‘Zullen we het maar gewoon doen’ stel ik voor. ‘Maak iets. Je krijgt vijf minuten. Dan hebben we tenslotte nog tien minuten om het te delen’. En zo gebeurt het. Weer verandert de toon, het klimaat in de groep in een paar minuten tijd. Verwachtingsvol alsof het heerlijk avondje met gedichten en surprises is aangebroken zitten we klaar voor de uitwisseling. Er is een sprekende Haiku, iemand heeft thee gemaakt, er is een vouwblaadjesorakel, er is een wordcloud met de woorden van de dag, er is een stilleven van de lunch met de titel ‘are you ready’ en nog veel meer. We spreken over wat de wending doet zoals eigenaarschap aanwakkeren, intrinsieke motivatie aanboren en meerstemmigheid in een gezelschap waarderen.

Zelf schreef ik ‘maak iets’ met plakband op het raam met uitzicht op het bijna verticale kunstgrasveldje en de wielen van mijn auto. Laten we het hangen voor diegenen die na ons in Alaska zullen werken? Of passen we de zin aan tot ‘maak er iets van’ wat ik zelf net over de top vind en toch minder leuk dan dat vervreemdende ‘maak iets’. Als laatste vertrek ik weer en zet het stilleven ‘are you ready’ terug op de tafel, haal mijn plakband braaf van de ramen en gooi de flappen van de dag in de prullenbak. Als ik instap kijk ik nog even schuin naar beneden. Daar waren wij, dat waren wij, zo waren wij: een dag lang.

Op de terugweg schiet mij een verhaal van de natuurkundige David Bohm te binnen. Hij ontdekt dat twee elektronen die bij elkaar zijn geweest ook als ze ver uit elkaar raken nog een soort verbondenheid hebben. Als de spin (rotatie) van de één verandert gebeurt dat bij de ander ook…. Dat is een uiterst merkwaardige ontdekking die volgens alle natuurkundige wetten onmogelijk is: tijd- en ruimte onafhankelijke verbindingen. Bohm wordt er om verketterd door zijn collega’s, ook al heeft hij voor zijn eerdere werk met elementaire deeltjes al eens de nobelprijs gekregen. Is er misschien een onzichtbare orde die onder de dingen ligt vraagt Bohm zich af. En als zo’n orde er zou zijn kan ik die dan in de werkelijkheid tegenkomen? Hij gaat gesprekken aan met andere culturen zoals met de oosterse denker en goeroe Krisnamurti. En hij leeft enige tijd met de oorspronkelijke natives in Midden Amerika. Daar, vertelt hij in zijn boek On Dialogue (1990), in een van de stammen is het de gewoonte om met enige regelmaat een avond bij elkaar te komen om elkaar de verhalen te vertellen. Er is geen voorzitter, geen agenda en geen bedoeling. Alleen de verhalen worden verteld. Als het laat wordt vertrekt de een na de ander om te gaan slapen. Er worden geen conclusies getrokken. Maar de volgende ochtend weet iedereen weer wat hem of haar te doen staat. Pas als het ritueel van het verhalen vertellen niet nagekomen wordt raakt de boel danig in de war.

Vandaag heb ik drie keer ervaren dat er iets van orde hersteld werd, iets in de groep op orde kwam, door te maken. Zou dat met dat verhaal van Bohm in verband gebracht kunnen worden? Dat denkbeeld is even aantrekkelijk als speculatief en niet verifieerbaar. Maar of het nu zo of anders werkt, dat samen maken zou als vijfde wiel aan de wagen aan dat rijtje van de vier ethische perspectieven van Paul van Tongeren toegevoegd moeten worden. Want dat maak iets is goed, voelt goed en doet goed om te doen.  

 Bart van Rosmalen

 

Reacties