Verlichting in de 21e eeuw, lezing door Matthew Taylor

In dit youtube filmpje (in het Engels) hoor je Matthew Taylor. Hij geeft een prachtige lezing over Verlichting in de 21e eeuw.
Om de inhoud meer tot me door te laten dringen dan in het (snelle) filmpje heb ik de tekst ook vertaald en uitgeschreven.

Hier de youtube link naar de animatie van de lezing Verlichting in de 21e eeuw.

Hieronder ook de hele tekst in het Nederlands vertaald.

Het sluit erg mooi aan op deze quote uit het boek Muzisch Denken, door Michael van den Hoogenhuyze:

'In de kunst heeft men in de loop van de laatste twee eeuwen methodes ontwikkeld om doelgericht handelen of logisch nadenken uit te sluiten om langs die weg verbeelding en intuïtie een kans te geven.

Deze benadering heeft sinds de erkenning van het belang van het onderbewuste in de menselijke geest een belangrijke plaats gekregen.'

Verlichting in de 21e eeuw

Lezing RSA door Matthew Taylor

Matthew Taylor, bestuursvoorzitter bij De Royal Society for the encouragement of Arts, Manufactures & Commerce (RSA), onderzoekt de betekenis van de 21e eeuwse Verlichting. De RSA,voert onderzoek naar het ontwikkelen en promoten van nieuwe manieren om te denken over menselijke ontwikkeling en sociale vooruitgang. Matthew Taylor legt uit wat de 21e eeuwse Verlichting is, en hoe deze nieuwe denkwijze ons kan helpen om ons te verhouden tot de uitdagingen die we vandaag de dag tegenkomen.

De oorspronkelijke Verlichting in de 18e eeuw was geen op zichzelf staande samenhangende beweging. Het had geen duidelijk begin en eindpunt. Wanneer we denken aan de kernideeën van De Verlichting benaderen we dit niet puur als een historisch proces.
Door het denken aan al die idealen, van gevormde moderne waarden, normen en leefwijzen, gaan we door een proces van culturele psychotherapie. We duiken in wat het collectieve bewustzijn van de moderne mens heeft gevormd. Dit stelt ons in staat om kritisch te onderzoeken of de waarden die wij nu tegenkomen en wat die voor ons zijn gaan betekenen, nog steeds voor ons werken. En of ze in de uitdagingen tegemoet komen die wij nu tegenkomen.
Hoewel ik de vaardigheden van de mens om dingen uit te vinden en zich aan te passen niet onderschat, ben ik toch een voorstander van het idee dat we anders moeten leven in de eenentwintigste eeuw.
Zoals de architecten van De Verlichting al begrepen; anders leven houdt in dat je anders moet gaan denken, je moet de wereld en jezelf van een nieuw perspectief gaan zien. Dit betekent kritisch kijken naar wat de waarden van de verlichting voor ons zijn gaan betekenen.

Wat we nu kunnen laten gelden zijn krachtige nieuwe inzichten in de menselijke natuur. Inzichten die in de laatste twintig of dertig jaar zijn verrezen vanuit een variëteit aan wetenschappelijke disciplines, zoals sociale wetenschappen.
Copernicus, Gallileï en Newton hebben geholpen om de basis te leggen voor De Verlichting. Zij onthulden dat de wetten van de natuur niet conformeerden aan de wetten van religieuze doctrine, en ook niet conformeerden aan intuïtie.
Want de paus mag dan gezegd hebben dat de zon rond de aarde ging, en dit mag ook zo hebben gevoeld, de wetenschap liet zien dat het anders is.

Ik denk dat inzichten in de menselijke natuur een vergelijkbaar krachtige invloed hebben, deze inzichten brengen ook ons intuïtieve gevoel over onze plek in de wereld in verwarring.
Het meeste van ons gedrag, sociale interactie inbegrepen, is eerder het resultaat van hoe wij automatisch reageren op de wereld om ons heen, dan van het nemen van bewuste beslissingen.
In deze zin is het eerder realistisch om onszelf te zien als intergraal verbonden aan de sociale en natuurlijke wereld, dan als een aparte, heilige, autonome, entiteit. De onderzoeken zijn duidelijk, als je een gelukkiger persoon wil zijn, lees dan geen zelfhulpboeken, maar omring je met gelukkigere vrienden.

Door wetenschappelijke inzichten van de laatste decennia is er een subtieler en holistischer model van de menselijke natuur verrezen, uit dit model kunnen wij lessen leren. De mens is niet erg goed in het nemen van lange termijn beslissingen, we zijn veel beter in het begrijpen van relatieve dan van absolute waarden.
Dit inzicht zal menigeen verbazen. Wat misschien nog verbazingwekkender is, is dat we er heel slecht in zijn om te voorspellen wat ons gelukkig zal maken. We zijn er zelfs slecht in om te omschrijven wat ons in het verleden gelukkig heeft gemaakt.

Ik zou dus willen beargumenteren dat de morele en politieke kritiek op het individualisme nu een basis van bewijs heeft. Met dit gegeven in gedachte bepleit ik dat verlicht denken in de eenentwintigste eeuw een meer zelfbewust, sociaal ingebed model van autonomie zou moeten verdedigen. Een model dat onze zwaktes en beperkingen erkent.
Dit betekent niet het verwerpen van de rechten van het individu, noch betekent dit het onderschatten van ons unieke vermogen om ons eigen lot vorm te geven.
Juist door te begrijpen dat het bewuste denken maar een deel is van wat ons gedrag stuurt, worden we er beter in zelfcontrole uit te oefenen.
Dit alles stelt ons in staat om onze behoeften van onze begeerten te onderscheiden, en ons verbazingwekkende menselijke potentieel te onderscheiden van het overschatten van individualisme. Dit is de basis voor zelfbewuste autonomie.

De ontwikkelingspsycholoog Robert Kegan bepleit dat succesvol functioneren in een maatschappij met uiteenlopende waarden, tradities en leefwijzen, van ons vraagt om, ‘een relatie te hebben tot onze eigen reacties, in plaats van een gevangene te zijn van onze reacties’.
Ik citeer ‘om onze behoefte te weerstaan om juist of waarheid te maken van dat wat eigenlijk alleen maar bekend is, en fout of onwaarheid van dat wat alleen maar onbekend is’.

Welnu het goede nieuws, en het is heel goed nieuws, er is alle reden om te geloven dat we het bereik van empathie (inlevingsvermogen) kùnnen uitbreiden.
De geschiedenis van het menselijk ras laat een tendens zien van een afname van geweld van mens tot mens, met uitzondering van enkele koerswijzigingen, waarvan de meest verschrikkelijke in de twintigste eeuw. Sinds de komst van moderne mensenrechten hebben we een revolutie gezien in de sociale opvatting gebaseerd op ras, geslacht en seksualiteit.
Tevens heeft de onvertraagde wereldwijde media het lijden van mensen op afstand, in onze huiskamers gebracht. Landverhuizing en het op de hoogte zijn van buitenlandse problemen stellen ons allemaal in staat onszelf te kunnen verplaatsen in andermans schoenen.

Er zijn redenen om je af te vragen of het proces van de zich uitbreidende menselijke empathie is vastgelopen en wel precies op het moment dat we het juist zouden moeten versnellen. Na vier decennia van naoorlogse vooruitgang is het niveau van ongelijkheid gestegen in de welvarende wereld. Spanningen tussen verschillende etnische groepen houden aan en hebben nieuwe dimensies aangenomen. Het sentiment tegen emigratie is gegroeid.

Het is verdedigbaar te zeggen dat dit komt door de tekortkoming van beleidsmakers.
Er moet een balans gevonden worden tussen dat wat noodzakelijkerwijs deel is van globalisatie, het ideaal van universaliteit, en de empathische vermogens van de gemeenschappen die het meest de gevolgen voelen van de verandering.

Globalisatie en publieke schulden zouden kunnen betekenen dat toekomstige generaties moeilijkere uitdagingen te wachten staan dan hun ouders.
Als we overeenkomsten willen bereiken, dan zal de voorraad van globale empathie waar democratische leiders uit kunnen putten, moeten groeien. In plaats van korte termijn behoeften op nationaal niveau, bereiken we zo lange termijn behoeften, die de hele planeet en al zijn mensen vooropstelt.

 Maar de keten die intermenselijke, gemeenschappelijke en empathie op globale schaal aan elkaar verbindt is complex. De intellectuelen, politici, belangenverenigingen en denktanks spenderen een enorme hoeveelheid tijd met debatteren over wat de ìnhoud zou moeten zijn van universaliteit. Wèlke rechten zijn universeel, wèlke regelingen, en wèlke capaciteiten?
Maar zouden we misschien niet wat meer tijd moeten besteden aan het onderzoeken van de fundamenten van het universaliteitsentiment?
Wat vergroot onze en wat verkleint onze empathische capaciteiten? Beleidsmatige indicaties variëren van een voortzetting van het leggen van nadruk op de opvoeding in de vroege kinderjaren, tot het ontwikkelen van scholen tot intelligente gemeenschappen, tot onderzoek naar op welke manier populaire cultuur ons neigt te laten denken over andere mensen. Bijvoorbeeld een cultuur die door het hebben van empathie het onderscheid kan laten zien tussen de gezonde gewoonte het publiekelijk oneens te zijn, en de ongezonde gewoonte van publiekelijke minachting.

Het is een cliché geworden dat onderwijs de meest waardevolle bron is van de globale kenniseconomie.
Om een wereld te bereiken van burgers die in vrede met zichzelf en met elkaar leven, is het net zo belangrijk om empathische vermogens te koesteren.
Maar zelfs al zouden we meer zelfbewuste en empathische burgers hebben, nog zouden ze tegen dilemma’s en meningsverschillen aanlopen. Ik wil ons aansporen om te onderkennen dat de vraag wat is vooruitgang? substantieve en ethische vragen oproept.
Vragen waartoe wij bereid zouden moeten zijn ze te erkennen, eerbiedigen en in overweging te nemen. Hoe beantwoorden we zulke vragen?

Uiteraard ligt het nuttige antwoord in het maximaliseren van menselijk geluk, en als vooruitgang wordt gemeten in deze termen, dan hebben we het goed gedaan sinds De Verlichting. Er is weinig twijfel over; de armste burgers van de ontwikkelde wereld hebben een betere gezondheid, een hogere levensverwachting, en veel meer middelen en kansen dan zij een eeuw geleden zouden hebben.
Maar het lijkt alsof het idee dat vooruitgang ontworpen is om menselijk geluk te vergroten, is veranderd in de aanname dat geluk nastreven het zelfde is als menselijke welvaart najagen.

Het succes van het westerse post-verlichtingsproject heeft geresulteerd in samenlevingen zoals de onze, die gedomineerd worden door drie logica’s:
De logica van wetenschap en technologische vooruitgang, de logica van de markten en de logica van bureaucratie.
De beperkingen van de logica van de wetenschap en de markt, liggen in hun onverschilligheid in een substantieve zorg voor het algemeen belang.
Als iets ontdekt en ontwikkeld kan worden, moet het ook ontdekt en ontwikkeld worden, als iets verkocht kan worden, dan moet het ook verkocht worden.
Een probleem van bureaucratie is dat het de rationaliteit van regels boven de rationaliteit van doelen stelt. In deze context vraagt het 21e eeuwse verlichtingsproject om een nieuwe kijk op de fundamenteel ethische dimensie van het humanisme.

Hoe kunnen we het antwoord makkelijker vinden op de vraag; is dit juist?
Zo velen van ons voelen dat de vorm van ons leven niet gedicteerd wordt door het ideaal het leven ten volle te leven, maar door sociale conventie en economische omstandigheden.
Waarom moeten we educatie proppen in het eerste kwartaal van ons leven? Daarna wanhopig de balans zoeken tussen werk en zorg in het tweede en derde kwartaal, en vervolgens voelen dat we tweederangsburgers zijn met de angst verwaarloost te worden in het laatste kwartaal?

Rationaliteit kan ons vertellen hoe we het best van A tot Z komen, maar zonder ethisch redeneren kunnen we geen discussie voeren waar Z zou moeten zijn. Dus wat we wìllen bereiken kan even zo belangrijk zijn voor ons welzijn als wàt we bereiken.

Michel Foucault zegt over Kant’s eigen beschrijving van De Verlichting, ‘het moet ontvangen worden als een houding, een ethos, een filosofische manier van leven waarin de kritiek over wat we zijn op het zelfde moment de historisch analyse is van de grenzen die ons zijn opgelegd, en een experiment van de mogelijkheid om er buiten te treden.’


Verantwoordelijk zijn, een globale maatschappij creëren, duurzaam leven, dat is niet simpelweg een kwestie van ‘de wil’. De 21e eeuwse Verlichting vraagt van ons om voorbij de simplistische en inadequate ideeën over vrijheid, gerechtigheid en vooruitgang te denken.
Misschien is het tijd om te stoppen achter die mythes aan te rennen, of om aan de grond genageld te zijn door abstracties. In plaats daarvan zouden we een concreet begrip kunnen herverbinden aan wie wij zijn als menselijke wezens. Dit doen we door politieke debatten te voeren over wie wij zouden moèten zijn en filosofische, en spirituele onderzoeken te doen naar wie we zouden wìllen zijn.

Creatieve mensen die een verschil willen maken hebben een miljoen en één mogelijkheden en afleidingen. Om hen erbij te betrekken betekent dat we een ethiek moeten hebben die negatief denken, rigide denken, en zelfpromotie niet tolereert.
Waarachtig naar de geest die de grondleggers van de RSA 260 jaar geleden bewoog zei antropoloog Margret Mead simpelweg dit: ‘twijfel er nooit aan dat een kleine groep van doordachte, toegewijde burgers de wereld kan veranderen, dit is zelfs het enige dat dat ooit bewerkstelligd heeft.’

Reacties