Lekenpraatje Muzische Professionalisering

Is deel van: Lezingen

'Lekenpraatje' over Muzische Professionalisering. Datum: 01-16

Naar aanleiding van de verdediging van zijn boek Muzische Professionalisering op 6 januari 2016 hield Bart van Rosmalen een praatje voor de leken in de zaal, als inleiding op zijn verdediging. Dit praatje duurde precies 15 minuten en leest u hieronder.

Muzische Professionalisering

Vanuit een professionele praktijk als improviserend cellist en theatermaker ben ik na zes jaar van het podium gestapt. Ik wilde dichter bij mijn publiek komen, miste de wederkerigheid. Na een zwerftocht langs diverse organisaties ben ik als trainer en gespreksleider met mijn bagage vanuit de kunst terecht gekomen in de professionalisering.

Ik kom professionals tegen met heel verschillende beroepen: Juristen, docenten in het kunstvakonderwijs, zorgverleners, politiecommissarissen, ingenieurs, kunstenaars en bankiers. Wat mij opvalt is het gedeelde verlangen om zich niet zomaar te voegen naar het protocol, naar de resultaatverplichting of de afgepaste hokjes om in te werken. Wat het systeem ook vraagt, professionals in allerlei vakgebieden zoeken openingen om de ‘menselijke maat’ in het werk sterker te maken. Dat noem ik tegenkracht. De menselijke maat in het werk sterker maken.

Vanuit mijn kunstenaarschap wakker ik bij professionals met wie ik werk ongeacht hun achtergrond het scheppende en expressieve aan: hun makerschap. Dat ben ik muzische professionalisering gaan noemen. Ik zocht een term breder en minder specialistisch dan kunst, kunstzinnigheid, creativiteit of artisticiteit. Dat werd muzisch. Door die keuze ben ik mijn onderzoek op het spoor gekomen. Ik ben teruggegaan naar de oudste bron die ik kon vinden: de mythe van de muzen in de Griekse mythologie.

In mijn eigen woorden gaat het verhaal zo: De goden op de Olympus verrichten hun heldendaden dag na dag. Dat is goed. Maar er is een probleem. Er is niemand die het ziet. Ze voelen zich niet gezien. Het verlangen naar zin- en betekenis van wat ze aan het doen zijn wordt geboren. Op een strategisch moment stappen ze naar Zeus, juist als hij een grote slag op de Titanen, de reuzen van die tijd, gewonnen heeft. Zeus gevoelig voor de argumenten legt zich, zoals de mythe vertelt, negen nachten neer in de sponde van de godin van het geheugen: Mnemosyne. Een jaar later worden daaruit de negen muzen geboren. Aan hen de taak om de heldendaden van de goden te bezingen.

Muzen maken de heldendaden van de Goden zichtbaar door ze te bezingen, door er een publieke opvoering van te maken. Zo scheppen ze een publieke dimensie. Hun inzet is daarbij niet hun eigen persoon of talent zoals in ‘kijk mij eens’. Ze werken vanuit ontvankelijkheid. Muzen laten een kwaliteit zien die ik in mijn onderzoek ‘onderscheidend verbinden’ noem. Ieder vanuit een eigen rol en met een eigen attribuut doen ze aan co-creatie en multidisciplinair samenwerken avant la lettre.

De eye-opener voor mij is dat het muzische verschijnt als tegenkracht. Even gaat het niet over redeneringen, niet over het protocol, de resultaatverplichting en de afgepaste hokjes van wat we al weten en kennen. Muzen zetten daar iets anders tegenover: meegevoerd worden in het spel, de verbeelding, de vervoering en de beleving. En dat dát dus belangrijk is voor de publieke waarden. Dat het muzische niet alleen over het mooie gaat maar ook over het goede, niet alleen over het esthetische maar dat het ook een ethische dimensie heeft. Dat het muzische bijdraagt aan de menselijke maat van samen leven en werken in gemeenschappelijkheid. Die ‘morele dimensie’ van het muzische: dat is voor mij de eye- opener. Het idee voor een proefschrift wordt geboren.

Ik kies politiek filosoof Alisdair Macintyre als leidraad voor mijn onderzoek. In zijn boek After Virtue schetst MacIntyre onze tijd. ‘Morality today is in a grave state of disorder’ zegt hij. Hij verzet zich tegen de dominante liberale opvattingen. De mens is lang niet zo individueel als wel wordt voorgesteld.

Om de gemeenschappelijkheid te onderbouwen brengt hij de deugdethiek van Aristoteles terug in het ethiekdebat. Het ‘goede’ ontstaat niet alleen door afspraken te maken of doelen te halen, maar ook in het gezamenlijk ‘doen’ van het werk. Dat noemt hij ‘practices’ -praktijken.

MacIntyre schets het beeld van de mens als verteller (homo narrans). Narrativiteit is bij hem bij uitstek het medium voor gedeelde waarden. Óók het individuele verhaal over mijzelf maakt deel uit van de grotere verzameling verhalen in een gemeenschap. Daarin ben ik deel van het geheel.

Ondanks die prachtige analyse is MacIntyre somber gestemd over de ruimte in het professionele handelen van vandaag om iets te doen aan de ‘grave state of disorder of morality’. Hij ziet een scherpe tegenstelling tussen het werken in intrinsiek gemotiveerde praktijken en op externe doelen gerichte instituties waarin geld, status en macht dominant zijn.

Maar haalt MacIntyre wel al het potentieel uit die vertellende mens vraag ik mij af? Is zijn somberheid terecht? Dat brengt mij bij de onderzoeksvraag: kan de ruimte voor professionele tegenkracht in organisaties zichtbaar gemaakt worden door de muzische aanzet in het werk van Macintyre te expliciteren en te versterken?

Ik confronteer zíjn visie op vertellen met míjn interpretatie van de mythe van de muzen. Míjn argument is dat het bij vertellen niet alleen om de waarden gaat die een verhaal overbrengt, maar ook om de waarde dat er verteld wordt. Het gaat zoals bij de muzen ook om de beleving en de vervoering en het gemeenschapsvormende daarvan. Heel concreet: bij wat ik hier sta te vertellen is niet alleen wát ik vertel van belang maar ook hóe ik het vertel en... hoe jullie het beleven.

Wat gebeurt er in de muzische beleving? Die uitbreiding op MacIntyre werk ik uit met de filosoof Hans Georg Gadamer. Gadamer kijkt, voortbouwend op de Homo Ludens, de spelende mens van Huizinga, naar de kunst. Hij verschuift de aandacht van wat de maker, de kunstenaar, doet naar wat de toeschouwer beleeft. Laat ik nog even bij deze promotie stilstaan. Gadamer laat zien hoe dat wat wij als uitvoerders híer doen zich in jullie als toeschouwers dáar afspeelt en hoe dat jullie tot de eigenlijke spelers maakt. Wij híer overzien vooral de stukjes waar we zelf wat doen. Jullie dáar beleven het geheel. Als het goed gaat doet het je iets, het sleept je mee en na een tijdje ben je er deel van. En beiden komen we er (volgens Gadamer) een beetje veranderd weer uit tevoorschijn. Ook als je het niet begrijpt dan heeft het delen en beleven van deze gebeurtenis een betekenis van zichzelf. Dat heeft een gemeenschapsvormende werking. De muzische beleving brengt ons als uitvoerders en jullie als toeschouwers in gemeenschappelijkheid bijeen.

Muzen zijn makers. In de tweede stap van de uitbreiding op MacIntyre kijk ik naar de lichamelijke en ambachtelijke aspecten van het maken. Daar besteden MacIntyre en Gadamer nauwelijks aandacht aan. Wie dat wel doet is Richard Sennett. Hij bespreekt ‘de mens als maker’ in zijn boek de Ambachtsman. We dreigen het contact met de fysieke realiteit van professioneel werk te verliezen is zijn bezorgdheid. Sennett ontvouwt een indrukwekkende visie op de waarden die inherent verbonden zijn aan ambachtelijk en lichamelijk werk. Hij laat zien dat ‘de capaciteiten die ons lichaam heeft om fysieke dingen vorm te geven, dezelfde capaciteiten zijn waar we voor sociale relaties gebruik van maken’. Daarmee voegt hij een heel eigen waardenpalet toe dat ik gebruik om Muzische Professionalisering meer handen en voeten te geven.

De derde stap in de muzische uitbreiding van MacIntyre zet ik met organisatiepsycholoog Karl Weick. Sinds decennia laat Weick in de organisatietheorie een heel eigen geluid horen. Ik bespreek zijn concept Sensemaking: betekenis scheppen. Dat stelt het handelen van professionals in organisatie centraal in een prikkelende omdraaiing van denken en doen. Weick zet het ‘doen’ van professionals voorop. Denken, strategie, beleid en organisatie komen daar achteraan. Daarmee maakt hij precies de ruimte voor tegenkracht die bij MacIntyre op slot zit in de tegenstelling tussen praktijken en instituties. Op mijn beurt breng ik de drie wijzen, MacIntyre, Gadamer en Sennet, in gesprek met Weick om met hen de muzische morele dimensie in de Organisatietheorie te versterken.

Daarmee keer ik terug naar mijn vraag. Is er ruimte voor tegenkracht om zélf de menselijke maat en de publieke waarden in het werk sterker te maken? MacIntyre zegt aan het slot van zijn boek dat het wachten is op een nieuwe Benedictus om orde op zaken te stellen. Huizinga zegt in de Homo Ludens dat een zedelijk geweten moet oordelen over goed of kwaad. Gadamer krijgt op zijn Filosofie repliek van Habermas die zegt dat er maatschappijkritiek nodig is en Sennett stelt zijn bijdrage tegenover de stem van Hanna Arendt die zegt dat er een politiek moet zijn die boven het ambachtelijk werk staat om richting te geven. Mijn boek raakt aan dit debat over publieke waarden, of we daar zelf als professionals aan kunnen bijdragen of afhankelijk zijn van wat er van bovenaf geregeld wordt. Ik betoog dat het muzische geen vrijblijvend vertier is, maar een openbaar en publiek maken door opvoering van dat wat ertoe doet. Ik stel voor niet te wachten tot het geregeld wordt maar het ‘zelf te doen’, ik pleit voor het aanwakkeren van het muzische makerschap in het professionele handelen.      

Wat kan de professional concreet doen? Kan dit verhaal praktisch effect hebben op die ‘grave state of disorder of morality today’? En hoe dan?

Het muzische is precair. Het georganiseerde professionele handelen biedt niet zomaar plaats aan het muzische en de daarmee verbonden ontregeling. En bovendien komt het muzische niet op bestelling. Het laat zich niet instrumenteel inzetten want dan verdwijnt het. Je kan er geen methode van maken om ‘uit te rollen’. En toch is het muzische onontkoombaar....  

Op mijn theorie examen van het Conservatorium veegt mijn examinator Tristan Keuris op een gegeven moment alle boeken van tafel. Hij pakt de partituur van het werk dat we bespreken, zet die op de piano, speelt het stuk en schreeuwt er doorheen waar het over gaat. Van een taal over de muziek sleept hij mij mee in een taal van en in de muziek. Dat moment van tegenkracht heeft mij blijvend in beweging gezet.

Op youtube staat een filmpje waarin een stokoude Gadamer (hij werd 102) een gedichtje van Rilke opzegt. Dat gaat over de waarde van ontvangen en ontvankelijkheid eerder dan om actief vangen in de zin van grijpen of beetpakken. Dat is het motto van al zijn denken en al zijn werk geworden zegt hij. Dat muzische moment heeft hem aangeraakt.

Hoe kan dit ‘aangeraakt worden’ zich doorzetten? Opnieuw kijk ik naar de muzen, nu naar hoe ze een kring vormen, een kring die ontstaat door eigenheid en samenspel.  

Het Innovative Conservatoire. In 2007 brengen zes conservatoria in een pilot ieder een aantal docenten in. We willen het docentschap verkennen en anders werken dan met papers en praatjes. De instrumenten gaan mee. Er ontstaan nieuwe muzische manieren van werken: gespreksvormen, werken vanuit bronnen, schrijven tussendoor, andere vormen van feed- back en zo meer. Allemaal praktisch en toepasbaar. Er zijn geen trainers bij. We ontwikkelen het door het te doen en diegenen die het goed kunnen geven het weer door aan de volgenden. Zo ontstaan kringen in de scholen. De jaren daarop zijn er twaalf conservatoria die mee doen. Inmiddels zijn het er 28 met uitbreiding naar Canada en Australië.

Een tweede voorbeeld: het lectoraat kunst en professionalisering een recente samenwerking van HKU en centrum voor leiderschap en ondernemerschap de Baak. Een kring van praktijkonderzoekers wordt ‘aangeraakt’ doordat we muzisch werken. De inspiratie, bezieling en plezier in het werk die er van uit gaan brengen het verder. Elke praktijkonderzoeker maakt zelf weer nieuwe kringen. We delen de vormen en de interventies die worden ontwikkeld en geven ze door. Zo ontstaat een eigentijdse practice zoals beschreven door Macintyre.

Tot slot geef ik aan de Muzische Professionalisering en het kringen maken een metaforisch beeld mee uit een onderzoek waar ik intensief bij betrokken ben geweest: de Urban Dance.

De eigenheid van elke danser die zijn unieke move in de cirkel brengt. De weerklank van de groep die dat ondersteunt. Het geheel van de perfomance die uit de moves ontstaat. Gevorderden en beginners door elkaar. De taal en stijl van de dans die ontwikkelen zonder regie of directie van bovenaf gewoon door hem te doen, te variëren en steeds verder uit te breiden. Het speelplezier dat verslavend werkt als je er eenmaal aan begonnen bent. De openbare en publieke verantwoording door opvoering.

Muzische Professionalisering vraagt de lef om de stap in die cirkel te zetten, zichtbaar te worden, de muzische move écht te doen. Dan komt het verder. Dat is de stelling waarmee mijn dissertatie eindigt. Ik zie er naar uit die nu in het openbaar te mogen verdedigen.

Bart van Rosmalen © 6/1/2016 

 

Reacties